Het squash-effect
calendar
maandag, 03 augustus 2015
by elise haarman

Als volleyballende ouder kijk je vanaf dag één na de geboorte reikhalzend uit naar het moment dat je kind interesse krijgt in een bal. Helaas liet dat moment bij onze zoon Jelte lang op zich wachten. Twee jaar en twee maanden om precies te zijn. Ballen waren er in zijn leven tot nu toe in overvloed, maar langer dan dertig seconden konden ze hem niet bekoren.

Hoewel ik weet dat de ontwikkeling zich niet laat stimuleren door het bestuderen van gemiddelden, kan ik het toch niet laten om er eens wat tabelletjes op na te slaan. Vanaf welke leeftijd ‘moet’ hij eigenlijk kunnen schoppen, gooien en vangen? Internet biedt mij in drie seconden het antwoord: Met twee jaar kunnen de meeste kinderen een bal gooien, maar nog niet in een bepaalde richting.

Gezien Jeltes verbaasde gezicht als hij de bal weer eens onbedoeld achterover gooit, ligt hij wat dat betreft precies op schema. Ik snap trouwens best dat hij daar na een halve minuut wel klaar mee is. Zelf baal ik er tijdens een training immers ook van als de bal niet doet wat ik wil. Maar ik weet tenminste dat ik op goede dagen beter kan. Hij denkt daarentegen: ‘Laat maar zitten, dit wordt niks. Ik speel wel met mijn auto’s, die doen wél wat ik wil.’

Met tweeëneenhalf kan een kind echt schoppen in plaats van tegen de bal aan lopen. Ook kunnen ze nu een rustig aangespeelde ballon vangen. Met drie jaar tenslotte kunnen de meeste kinderen een grote bal vangen door hem tegen het lichaam te klemmen. (Wat je voetbalkeepers op het hoogste niveau nog steeds ziet doen!) Ook kunnen de meeste kinderen op driejarige leeftijd een bal in de gewenste richting gooien zonder het evenwicht te verliezen, lees ik.

Zover zijn we nog niet, maar ik vind het nu al geweldig om te zien hoe hij als in een kat en muisspel achter de bal aanrent, voortdurend een halve seconde later van richting veranderend dan de bal. Ons aan alle kanten ommuurde stadstuintje stelt Jeltes reactievermogen ernstig op de proef, maar dit ‘squash-effect’ heeft ook een voordeel: waar je de bal ook heen speelt, hij komt altijd terug. Dat is misschien minder goed voor het energieverbruik, maar wél goed voor de motivatie. Althans, zolang hij de bal nog niet óver het muurtje krijgt. Wanneer we dat kunnen verwachten, staat dan weer niet in zo’n schema.

Terug naar overzicht...